CANADESE LYNX – EENZAME JAGER VAN DE NOORDLIJKE WOUDEN
De Canadese lynx (Lynx canadensis) is een middelgrote wilde kat die voorkomt in uitgestrekte gebieden van Noord-Amerika. Zijn natuurlijke leefgebied omvat voornamelijk de dichte boreale wouden van Canada en de noordelijke delen van de Verenigde Staten, zoals Alaska, de Rocky Mountains en de regio rond de Grote Meren. De soort komt ook voor in koelere subarctische streken waar het klimaat en de beschikbaarheid van voedsel gunstig zijn.

De Canadese lynx is uitstekend aangepast aan het strenge, koude klimaat van de noordelijke bossen. Zijn dichte vacht, die van kleur verandert met de seizoenen, beschermt hem tegen lage temperaturen. In de zomer is de vacht meestal roodbruin, terwijl die in de winter grijs of grijsbruin wordt, wat zorgt voor een effectieve camouflage in besneeuwde landschappen. Op de buik en aan de binnenkant van de poten heeft hij kenmerkende vlekken, die helpen zich te verbergen voor prooien en roofdieren.

Een van de meest herkenbare kenmerken van de Canadese lynx zijn zijn grote, puntige oren met zwarte pluimpjes en een korte staart met een zwarte punt. Deze aanpassingen helpen bij een uitstekend gehoor en oriëntatie in dichtbegroeide gebieden, en spelen ook een rol in communicatie tussen soortgenoten.

De Canadese lynx is een solitair en sterk territoriaal dier. Hij markeert zijn territorium met urine en krabsporen op bomen, om indringers op afstand te houden. De lynx is voornamelijk nachtactief en jaagt vanuit hinderlagen. Zijn jachttechniek bestaat uit stil, behoedzaam naderen van de prooi, waarbij hij gebruikmaakt van begroeiing als dekking. Zijn dieet bestaat vooral uit sneeuwschoenhazen, maar hij eet ook kleine knaagdieren, vogels en andere kleine dieren.

Als roofdier speelt de Canadese lynx een cruciale rol in het ecosysteem van de noordelijke bossen, doordat hij helpt bij het reguleren van prooipopulaties, wat bijdraagt aan het ecologische evenwicht. In het wild kan een lynx ongeveer 15 jaar oud worden.
KENMERKEN
- Gedrag – solitair en territoriaal; markeert zijn gebied met urine en krabsporen op bomen
- Leefgebied – boreale bossen van Noord-Amerika: Canada, Alaska, Rocky Mountains, regio van de Grote Meren
- Vachtkleur – seizoensgebonden; roodbruin in de zomer, grijs of grijsbruin in de winter; vlekken op buik en binnenzijde van poten
- Jachttechniek – hinderlaag; stille en voorzichtige benadering van prooien; jaagt vooral op kleine zoogdieren, met name hazen
- Levenswijze – nachtactief, solitair; actief bij schemering en ’s nachts; levensverwachting tot ca. 15 jaar in het wild